Generatie IV
Jan Beijers van Voxdael

    Jan Beijers van Voxdael is, zo blijkt uit de archiefstukken, zeker de kleinzoon van Cornelis Beijerssone van Voxdale en van Marie Anthonijs Berthelmeeus. Er zijn duidelijke redenen om ook te aanvaarden dat hij de zoon was van voornoemde Jan Beijerss van Voxdale van Ossendrecht. Deze Jan werd in het laatste kwart van de 15de eeuw (omstreeks 1485-1490) geboren in Ossendrecht.
    In 1521 woonde hij in Wuustwezel. In een akte van 11 februari van dat jaar wordt hij vernoemd als Jan Beijers meijer van Wuestwezele in desen tijt. In tal van akten van recentere datum verscheen hij steeds als meijer, vaak tevens als rentmeester, en soms ook als stadthouder van den leene van Maximiliana van der Noot, weduwe van heer Philips van der Meeren in haere dorpe en heerlijckheijt tot Wuestwezele. Ook na het overlijden van haar zoon, heer Philips vander Meeren, heer van Wuustwezel en kanunnik te Luik, heeft hij deze functies vervuld.
    We hebben in het Wezels archief van de vroegere periode geen andere leden van het geslacht Beijers van Voxdale aangetroffen. De hier bedoelde Jan Beijers van Voxdael (met één s minder !) mag dan ook als de stamvader van de Wezelse tak beschouwd worden.
    Hij was gehuwd met Baltijsael Berthlemeeus Coster en had ten minste twee dochters en drie, wellicht vier, zonen.
 

Jan Beijers van Voxdael x Baltijsael Berthlemeeus Coster
                                    1. Margriete
                                    2. Baltazar
                                    3. Cornelis
                                    4. Peeter
                                    5. Maximiliaen
                                    6. Jan de jonghe

    Margriete, de eerste dochter, huwde Franchois Mangenois en vestigde zich met haar man in Bar le Duc, waar ze voor 1564 zou overleden zijn.
    Baltazar, de tweede dochter (!), werd de vrouw van Jan van Mijnhem. Zij moet kort voor 1580 overleden zijn, want op 6 maart van dat jaar hebben Jan Wouters en Maximiliaen Beijers van Voxdael, haar broer, in hun hoedanigheid van voogd en toeziende voogd over haar minderjarige weeskinderen, aan Jan van Mijnhem en Adriana Anthonis, diens tweede vrouw, alle schult en wederschult met oock alle die haeffelijkcke goeden bij haer beijden achtergelaeten, afgestaen, waarvoor Jan van Mijnhem zijne kinderen sal moeten onderhouden en lijnen en wolle, sieck ende gesont, te lieff ende te leet... ter schole houden gaen tot dat zij tamelijck leesen en scrijven connen ende tot dat Magriet, sijn joncxte dochter, 17 jaeren oudt is...
    Cornelis werd ergens rond 1525 te Wuustwezel geboren en kende een behoorlijk bewogen leven. Op 16 februari 1554 was hij als stadthouder van den meijere aanwezig bij het verlijden van een akte voor de schepenen van Wuustwezel. Daarna bekleedde hij gedurende verschillende jaren, zeker van 1562 tot 1567, het ambt van schout van Kalmthout en Essen. Op 28 april 1561 werd hij in het register der akten van Wuustwezel vermeld als getrouwd met de wede van Cornelis Jan Pauwels, over wiens minderjarige kinderen hij dan ook voogd werd. Van Kalmthout is Cornelis dan later naar Breda verhuisd. In een akte van 2 februari 1567 wordt hij immers geciteerd als commis van Andries van der Goes als rentmeester generael van Zuijt-Hollant tot Breda. Volgens het oudt register der poirters, is hij, geboren in Wuustwezel, poorter van de stad Breda geworden. De naam van Cornelis' vrouw was niet te achterhalen en ook niet of hij kinderen heeft gehad. Cornelis zou nog schout te Brecht geweest zijn, onder de heer Adriaan van Bailleul. Volgens zijn broer Peeter, stierf Cornelis in het jaar 1584 in de gevangenis te Turnhout. Hij zou met enkele van de voornaamste inwoners van Brecht door de daar gelegerde soldaten als gijzelaar gevangen genomen zijn, omdat het dorpsbestuur de zware krijglasten niet voldaan had.
    Peeter wordt in een schepenakte van 6 november 1565 vermeld oudt sijnde xxviii (28) jaeren. Hij zou dus in 1537 geboren zijn. Waarschijnlijk is hij echter vroeger geboren, vemits zijn vader sinds 1536 met zijn tweede vrouw getrouwd was en uit verschillende archiefteksten blijkt duidelijk dat Peeter een zoon van de eerste vrouw van zijn vader was. Hoe dan ook, Peeter is op 15 mei 1563 getrouwd met Elijsabeth, dochter van Peeter van Eeckele, schepen te Wuustwezel. Peeter Beijers van Voxdael was toen reeds proprietaris van de costerien binnen Wuestwezel. Bij die gelegenheid kreeg hij ook officieel de officie van der secretariscappe bijnnen Wuestwesele, als huwelijksgift vanwege de Edele heer Philips vander Meeren, die ook op het huwelijk aanwezig was, een functie die zijn broer Maximiliaen hem al in maart van dat jaar overgedragen had. Peeter functioneerde als secretaris of schepenklerk in Wuustwezel tot in 1590. Hij vervulde dit ambt ook in het naburige dorp Loenhout. Peeter Beijers van Voxdael kende een zeer bedrijvig leven. Van huize uit was zijn vrouw, Elisabeth van Eeckele, zeer welstellend. Zij wisten hun bezit aanzienlijk te vermeerderen. Samen kregen zij ook vijf kinderen, alle dochters: Barbara (huwde met Michiel Michielsse van Elsacker uit Loenhout, waar ze woonde in en 1620 overleden is), Cornelia of Neelken (gehuwd met Lambrecht Cornelissen), Magdalena (huwde met Jan van Dael, ook een inwoner van Loenhout; ze woonden er ook en Magdalena overleed er in 1641), Jenneken (trouwde met Christiaen Mathijs Raets en was in 1633 reeds overleden) en Maximiliana (bleef ongehuwd en verhuisde na de dood van haar moeder van Loenhout naar Wuustwezel, waar ze in november 1637 overleed). Daar Jan Beijers van Voxdael en Elisabeth van Eeckele dus geen zonen hadden, is hier de naam Beijers van Voxdael niet verdergezet. Elisabeth overleed in 1625 op Neerven te Loenhout. Peeter overleed in 1603 ergens in Mechelen ten huize van de chirurg Jan Belaers, vermoedelijk ten gevolge van de beroerte die hem getroffen had in herberg De Ketel, waar hij was afgestapt.
    Maximiliaen is de stamhouder en komt verder aan bod.
    Cornelis, Peeter en Maximiliaen werden in de nalatenschap van hun vader, die op 20 juli 1564 tussen diens erfgenamen verdeeld werd, gecavelt ende gepaert op te goeden in Zelant, te weten te Valckenisse. Omdat ze zelf niet ter plaatse woonden, gaven ze bij akte van 28 april 1567 volmacht aan den eersamen Mr. Jan Balthazar Vilaijnz, secretaris der prochie Cappellen in Zuijt Beverlandt om in hunnen naem ende van hunnentwegen te heijsschen, innnen, opbeuren ende ontfanghen... alle ende iegelijcke sommen van penninghen die men hen schuldich is oft sal moegen schuldich weesen in toecomende tijden tot IJerseke, Walckenisse, Weerde, Everdijck, tsGravenpolder ende elders daer ontrent, twaere van verloopen van renthen, chijnsen, hueringhe van thienden ofte goersinge, visscherije oft andersints als sij bijnnen Zuijt Beverlandt jaerlijcx hebbende zijn. De drie broers hebben de voormelde goederen en gronden in Zeeland slechts tot in 1581 behouden. Maximiliaen heeft ze dan, mede via volmacht van zijn broers, aan Jan Wijllems, wonende te Goes in Zuid Beveland, verkocht.
    Jan de jonghe is waarschijnlijk de jongste zoon uit dit eerste huwelijk, vermits zijn weeskinderen, vertegenwoordigd door hun voogden, ook aan de deling van hun grootvaders nalatenschap deelnamen, en ook in een akte van procuratie vertegenwoordigd zijn.

    Jan Beijers van Voxdael, vader, moet voor 1536 zijn vrouw verloren hebben, vermits hij op 17 januari van dat jaar samen met Margriete Cornelis Claes, sijn huisvrouwe, geciteerd werd. Zij was de weduwe van wijlen Willem van Ostaeyen, van wie ze kinderen had. Op 27 januari 1538, maakten Jan Beijers van Voxdael, meijer ende rentmeester mijnder vrouw van der Meeren ende Margriete Claes zijn wettige getrouwde huijsvrouw hun testament, doch een nadien aangebrachte annotatie luidt: Dit is ghecassert bij consente van Jan Beijers, meijere. Jan, die uit zijn tweede huwelijk ook één of meerdere kinderen had, waarvan we wel nergens de namen hebben aangetroffen, is rond 1562 overleden.
    Tussen zijn tweede vrouw en de kinderen uit zijn eerste huwelijk ontstond wegens de verdeling van zijn nalatenschap zulke onenigheid, dat Margriete zich tot de schepenbank moest wenden. De schepenen hebben dan op 23 november 1562 geappoincteert als dat men de achtergelaten goeden van Jan Beijers saliger sal deijlen inhouts de uijtsprake daervan sijnde. Op 23 april 1563 hebben Margriete, weduwe van wijlen Jan Beijers, met haar kinderen, en Cornelis Beijers, handelend in eigen naam als vertegenwoordiger van zijn medeërfgenamen, zich in der minne akkoord gesteld, dat - alle arbitrale uitspraken of vonnissen voor die datum ten spijt - de partijen sullen paerten ende deijlen halff ende halff, te weten Margriete voor deen helft ende de kijnderen van den voirbedde ende nabedde des Jan Beijers d'ander helft halff ende halff soo van de haeffelijke als voor de vercregen goeden. Ingevolge die overeenkomst zijn de erfgenamen dan op 20 juli 1564 overgegaan tot de verdeling van hun vaders nalatenschap. Over de tweede vrouw, Margriete Cornelis Claes, zijn verder geen gegevens bekend.




BEGINPAGINA
>>
<<
FreeHomePages.Com
 Sponsored Links
This site is hosted for free by FreeHomePages.Com

DISCLAIMER: FreeHomePages.Com is in no way responsible for content contained within this page. If you feel that this site contains offensive material or material that doesn't comply with our Publisher's Terms please contact us to report abuse.